Home / Columns / ‘Het is makkelijk te vervallen in oude patronen, oude pijn’
Hanneke Poelmans
Hanneke Poelmans.

‘Het is makkelijk te vervallen in oude patronen, oude pijn’

Hanneke Poelmans is columniste. Ze schrijft geregeld over wat haar bezighoudt en verwondert. In aflevering 5: Voor het grijpen.

Ik zit in de bus, op weg naar mijn werk. Ik ben weer eens te laat, de nacht was weer eens gebroken, de auto weer eens bezet, en ik krijg al een zenuwinzinking bij het idee om me in 20 slepende minuten per fiets van de Vinex naar het werkende deel van de stad te begeven.

Het is weleens beter gegaan. En toch.

In de bus heb ik een plek gekozen bij het raam, in de zon. Schouders omlaag, adem in, even helemaal niks dan naar buiten staren en de stad aan me voorbij te zien trekken. Telefoon aan de kant.
 Onder de stoel voor me zie ik iets glinsteren. Het is een muntje van 10 cent. Mijn reflex leidt me naar mijn kindernatuur en ik wil het muntje grijpen. Maar dan slaat de twijfel toe. Dit ken ik niet van mezelf. Opeens neemt de schaamte bezit van mij en spreekt me spottend toe: ‘kijk dat dan zitten, een vrouw van 32, zo’n lachwekkend bedrag, en een vieze vloer ook nog’.

Misschien zijn het de omstandigheden die me doen terugdeinzen. De bus gevuld met stoere jongens met bontkragen en petten. En de indringende blik van de man bij de bushalte die nog steeds nawerkt op mijn gemoed. Een rommelige man op de fiets met trainingsjack en drie kinderen, een voor-en eentje achterop, en de oudste op zijn eigen fietsje ernaast. Minstens twee ervan in de schoolgaande leeftijd, en net als ik, ook ruimschoots na de normaal veronderstelde aanvangstijd. Lotgenoten in deze burgerlijke op efficiëntie gerichte maatschappij. Rafelrandjes in de Vinex. Bij het passeren keek hij me intens aan en groette me nadrukkelijk. Ondanks zijn ongevraagde opdringerigheid, voel ik tegelijkertijd meteen een zwak voor hem, de situatie, de scheve rugzak op de rug van zijn oudste zoon. Heeft hij ze vanmorgen alleen aangekleed? Is er een wederhelft in het spel? In een fractie van een seconde heb ik hem een heel levensverhaal toebedeeld, vol misère en ongeluk.

Ik heb een zwak voor rafelrandjes, ik voel me er zelf ook één.

Ik heb een zwak voor rafelrandjes, voel me er zelf ook één. Ik voel me tegelijkertijd onderdeel en observator van de situatie. Zowel aan de zijlijn als er middenin. Altijd overbewust.
De petten en bontkraagjes hebben precies de uitwerking op me die de dragers ervan vermoedelijk voor ogen hadden. Ze schrikken af. Een natuurlijk ontzag. En een vleugje angst, zoals ingebakken bij veel vrouwen bij het treffen van bepaalde types, onder bepaalde omstandigheden. Op mijn hoede. Maar tegelijkertijd weer die vertedering. De jongetjes, diep verstopt in de kragen.

Ik kijk weer naar het muntje. Misschien brengt het geluk. Aan de andere kant: misschien ontzeg ik met het oppakken een ander juist zijn broodnodige geluk. Mijn zoon had het wel geweten. Die had het muntje zonder twijfel verrukt opgepakt. Zou hij ooit die schaamte gaan ervaren als hij ouder wordt, of zal hij zijn leven lang muntjes blijven rapen, blauwe kevers blijven zoeken, zijn eigen wil als vanzelfsprekend blijven volgen, wat met zijn diagnose autisme voor de hand lijkt te liggen. Niks aantrekkend van de blik van een ander, bevrijdend en pijnlijk tegelijk.

Zelf heb ik ook jarenlang die weg bewandeld, als vanzelfsprekend. Met weinig schaamte. Althans, niet voor de dingen waarvoor anderen zich juist leken te schamen. Daarom bevreemdt mijn eigen schaamte me nu zo.

Tussen mijn reptielenbrein is een filter gekomen. Een zijstroom van een grote rivier, die zich langzaam aan het vertakken is, op weg naar nieuwe stromen, zuiver en helder.

Terwijl de bus doorrijdt, voel ik de warme zonnestralen op mijn gezicht. Het is eigenlijk té aangenaam. Op mijn hoede voor het moment dat het weer misgaat, de schaduw zijn intrede doet. Het geluk is eng. ‘Niet in staat het geluk te vangen’, las ik ergens en nu moet ik daar aldoor aan denken. Dat het me de laatste tijd steeds beter lukt, beangstigt me. Dat ik de dingen niet kapot maak. Dat ze goed gaan. En blijven gaan. Dat het méézit.
 Het is zo makkelijk weer te vervallen in oude patronen, oude pijn. Het geld dat op moest, de fles die leeg moest, de blik die beantwoord moest. Zo was de wereld en niet anders. Het langzame inzicht dat me nu na 32 jaar treft, dat het niet hóeft, is een levensgrote ommekeer in mijn denken, en leven. Doodeng.

Mijn reflexen reageren niet meer als voorheen. Tussen mijn reptielenbrein is een filter gekomen. Een zijstroom van een grote rivier, die zich langzaam aan het vertakken is, op weg naar nieuwe stromen, open water, zuiver en helder, schoon en onbezoedeld.
 Nu hij eenmaal begonnen is te stromen, is er geen weg terug.

Bij het verlaten van de bus pak ik het muntje op. Het geluk dat zo pontificaal voor mijn neus voor het grijpen ligt, laat ik dit keer niet liggen.